De eerste 90 dagen als leidinggevende voelen voor veel capabele vakmensen vreemd. Niet omdat ze hun werk niet kennen, maar omdat het werk plots niet meer alleen over inhoud gaat. Je moet richting geven, verwachtingen uitspreken, grenzen bewaken en tegelijk leren niet overal zelf in te springen.
Precies daar loopt het vaak vast. Wat je vroeger sterk maakte – snel denken, hoge kwaliteit, problemen oplossen, verantwoordelijkheid opnemen – wordt onder druk je valkuil. Je neemt te veel terug over. Je laat gesprekken te lang liggen. Je blijft de slimste kracht in de kamer in plaats van de leider die het team helpt dragen.
De eerste 90 dagen vragen daarom niet in de eerste plaats om meer leiderschapstips. Ze vragen om patroonzicht. Wat doe jij wanneer het schuurt? Waar ga jij harder trekken? Waar ga jij verfijnen, aanpassen of bewijzen? Zodra je dat sneller leert zien, ontstaat er ruimte om anders te handelen.
Dat is ook waarom een goede start als leidinggevende niet begint bij een trucje, maar bij een spiegel. Want zonder die spiegel bouw je op oude reflexen in een nieuwe rol. En dat is duur voor jou én voor je team.
